Accountant krijgt doorhaling en moet 1,6 miljoen betalen

In de periode van 2002-2014 was verweerder advocaat van de heer G en diens Holding G BV. Verweerder heeft in 2006 zijn voormalig kantoor verlaten en de dossiers van de heer G meegenomen naar zijn nieuwe kantoor. Mevrouw J, de ex-echtgenote van de heer G trad op als contactpersoon tussen verweerder en de heer G.

In 2014 wilde mevrouw J zes nieuwe procedures starten namens de heer G. Verweerder heeft in 2014/2015 de concept dagvaardingen opgesteld, na aanpassing van deze dagvaardingen door mevrouw J, is een van de zes dagvaardingen uitgebracht en betekend. De andere vijf zijn niet uitgebracht.

Rond april 2019 heeft verweerder vijf vervalste rolberichten opgesteld en aan mevrouw J overhandigd. Ook heeft hij een gefingeerde, aan de rolgriffie van de rechtbank gerichte brief, aan mevrouw J overhandigd. In deze gefingeerde brief wijst hij de rechtbank erop dat het aanhouden van de vonnissen in de procedures te lang duurt en dat het redelijk termijn voor een uitspraak, in de zin van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens is verstreken. Verder zegt hij al meerdere malen daarop gewezen te hebben.

Verweerder heeft, toen de advocaat van mevrouw J hem berichtte de rolberichten niet te kunnen vinden, geantwoord dat de rolberichten niet bestonden en dat er geen procedures aanhangig waren gemaakt. De heer G heeft hem daarna aansprakelijk gesteld. Er heeft verder een gesprek plaatsgevonden tussen de deken, de adjunct-secretaris van het bureau van de orde van advocaten, verweerder en mr. M, kantoorgenote van verweerder. Verweerder heeft zich op 19 juni 2019 onttrokken als advocaat van de heer G.

Het bezwaar

Het bezwaar houdt in dat verweerder tuchtrechtelijk heeft gehandeld in de zin van artikel 46 Advocatenwet. Dit bezwaar is gebaseerd de verwijten dat:

  1. verweerder het sinds 2015 in strijd met de waarheid heeft doen voorkomen alsof er vijf procedures aanhangig waren bij de rechtbank Oost-Brabant. Verweerder heeft daartoe vijf fake-rol-berichten en een door hem ondertekend fake-schrijven aan de griffie van de rechtbank-Oost-Brabant opgesteld en overhandigd aan mevrouw J;
  2. verweerder in diverse dossiers van zijn cliënt en diens holding geen opdrachtbevestiging heeft opgesteld en de financiële afspraken niet heeft vastgelegd;
  3. verweerder niet (voldoende) beoordeeld heeft wat de wens of opdracht van zijn cliënt was. Verweerder heeft met de ex-echtgenote, mevrouw J, zaken afgewikkeld zonder dat een volmacht voorhanden was waaruit bleek dat zijn cliënt mevrouw J had gemachtigd hem te vertegenwoordigen;
  4. verweerder in verschillende dossiers de aan zijn cliënt gerichte declaraties, correspondentie en stukken heeft verzonden naar het adres van mevrouw J zonder afschriften daarvan naar zijn cliënt te versturen.

Het verweer

Ten aanzien van het eerste onderdeel erkent verweerder dat hij grote fouten heeft gemaakt en hiermee het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Hij stelt in een vlaag van verstandsverbijstering, om tijd en rust te creëren, een rolbericht in de vijf zaken en een brief aan de rechtbank te hebben opgesteld. Verweerder stelt na de ontdekking de meest noodzakelijke acties ondernomen te hebben om de schade voor zijn cliënt te beperken. Zo heeft hij de concept-dagvaardingen afgerond en overgedragen aan de huidige advocaat van zijn cliënt.

Het tweede onderdeel is naar zijn mening niet gegrond. Verweerder stelt dat in de periode waarin verweerder zijn diensten heeft verleend (2006-2014) de Voda (Verordening op de Advocatuur) nog niet in werking was getreden, de gedragsregels 1992 waren dus nog van toepassing. Destijds gold er nog geen verplichting om een opdracht schriftelijk te bevestigen.

Ook het derde en vierde onderdeel worden door verweerder niet betwist. Verweerder erkent dat een schriftelijk volmacht ontbrak en hij reden had te twijfelen of er een volmacht was verleend. Daarnaast erkent hij dat hij merendeel van zijn declaraties heeft verstuurd naar het adres van mevrouw J, zonder een afschrift daarvan aan zijn cliënt toe te zenden.

Het oordeel

Verweerder heeft de onderdelen 1, 3 en 4 erkend, deze worden door de raad gegrond verklaard. Ten aanzien van onderdeel 2 oordeelt de raad dat, hoewel de verplichting tot het schriftelijk vastleggen van een opdrachtbevestiging niet expliciet was vastgelegd, van verweerder mocht worden verwacht dat hij dit wel deed. Door dit niet te doen heeft verweerder welbewust het risico in leven geroepen dat een geschil zou ontstaan. De raad verklaart daarom het tweede onderdeel ook gegrond.

De raad stelt vast dat de verweerder niet in een vlaag van verstandsverbijstering heeft gehandeld. Verweerder heeft meerdere momenten gehad om tot bezinning te komen. Daarnaast heeft hij volgens de raad door zijn gefingeerde brief de rechtbank in diskrediet gebracht. Verweerder heeft de kernwaarde integriteit geschonden. Hiermee heeft hij niet alleen het vertrouwen in zijn eigen beroepsuitoefening als advocaat geschaad, maar ook het vertrouwen in de advocatuur als beroepsgroep zeer ernstig geschaad. De raad acht de maatregel van schrapping op zijn plaats.

Lees hier de hele uitspraak

Zorgplicht Advocaten

Bent u van oordeel dat uw advocaat of de advocaat van de wederpartij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld? En heeft u als gevolg daarvan schade geleden? Neem dan vrijblijvend contact op met een van de gespecialiseerde advocaten van Zorgplicht Advocaten.

Wij staan voor u klaar

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Laat ons u helpen Laat ons u bellen

Wij helpen u graag

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant