registeraccountant

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat het accountantskantoor, die de vermogensopstelling van appellant en zijn vrouw op grond van de aangegane huwelijkse voorwaarden maakte, niet aansprakelijk is voor de uitgebleven jaarlijkse verrekening.

Het procesverloop

De appellant en zijn vrouw trouwden in 1995 onder huwelijkse voorwaarden, waaronder een jaarlijks verrekenbeding. Sinds 1993 was de appellant klant van accountantskantoor 1, dat na het huwelijk de vermogensopstellingen uitvoerde. In 2006, toen een AA en een fiscaal jurist hun eigen kantoor begonnen, werd de appellant klant bij accountantskantoor 2 en zijn de vermogensopstellingen vervolgens door dat kantoor opgesteld. Daarbij werd de sinds 1995 bestaande werkwijze tussen de appellant en accountantskantoor 1 voortgezet. Voor de jaren 2003 tot en met 2015 stelde accountantskantoor 2 de vermogensopstellingen op.

Het verwijt

De appellant verwijt het accountantskantoor met name dat:

1. de vermogensopstellingen foutief en te laat zijn opgesteld;

2. deze voor de jaren 2011 tot en met 2015 niet zijn ondertekend;

3. hem onterecht niet is geadviseerd over de risico’s van het achterwege laten van een jaarlijkse afrekening gedurende het huwelijk.

Hierdoor, zo stelt de appellant, was hij gedwongen bij de afwikkeling van de scheiding finaal af te rekenen. Immers, door zijn voormalige echtgenote is de periodieke verrekening over de gehele periode van het huwelijk verworpen. Dit heeft vervolgens geleid tot het sluiten van een voor hem nadelig echtscheidingsconvenant. De appellant heeft bij wijze van schikking een lumpsum bedrag van € 200.000,- aan zijn voormalige echtgenote betaald, waarvan € 35.124,- is toe te rekenen aan de verdeling van het vermogen op basis van finale verrekening.

De rechtbank wees de vorderingen van de appellant af, maar die ging in hoger beroep. De uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg kunt u hier lezen.

Beoordeling Hof

Het Hof stelt voorop dat, nu de appellant vergoeding vordert van de schade die hij stelt te hebben geleden door de tekortkomingen van het accountantskantoor, hij dient te bewijzen dat hij zonder deze tekortkomingen de door hem gestelde schade niet had geleden. De centrale stelling van de appellant is dat door het niet tijdig opmaken van de vermogensopstellingen door het kantoor hij genoodzaakt was bij het einde van het huwelijk tot finale verrekening over te gaan in plaats van de door hem gewenste periodieke verrekening. Ter zijde merkt het hof op dat uit het feit dat het accountantskantoor ook vermogensopstellingen heeft opgemaakt over de jaren 2003-2005, hieruit kan worden afgeleid dat de appellant in de jaren vóór de opdracht aan het kantoor niet gewoon was deze jaarlijks te ontvangen.

De veronderstelling van de appellant dat louter met het opmaken van de vermogensopstellingen door accountantskantoor 1 wel zou zijn voldaan aan het periodieke verrekenbeding en de in artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen afrekening is onjuist. Daarbij is van belang dat de appellant heeft verklaard dat het periodiek verrekenbeding op eigen verzoek is opgenomen in de huwelijkse voorwaarden, juist omdat hij de vermogens gescheiden wenste te houden. Hoe dan ook, de omstandigheid dat de appellant heeft gemeend dat met het maken van de vermogensopstellingen al was voldaan aan afrekening conform het periodieke verrekenbeding komt voor zijn rekening en risico.

Verwijt 1: de vermogensopstellingen foutief en te laat zijn opgesteld en verwijt 2: deze voor de jaren 2011 tot en met 2015 niet zijn ondertekend

Waar de vermogensopstellingen niet door partijen zijn ondertekend, kan dit niet ondertekenen door de appellant en zijn echtgenote niet tot de taak van de accountant worden gerekend. De zorgplicht van de accountant strekt niet zo ver dat het accountantskantoor erop had moeten toezien dat de appellant en zijn echtgenote de vermogensopstellingen ondertekenden. Dit betreft een verantwoordelijkheid van de echtelieden zelf.

Dit geldt evenzeer voor het niet (meer) ondertekenen van de vermogensopstellingen over de jaren 2011-2015 door de echtgenote nadat de appellant aan haar had medegedeeld te willen scheiden. Het feit dat de echtgenote de vermogensopstellingen niet meer wenste te tekenen is, mede gelet op de jarenlange bestaande praktijk, niet aan het accountantskantoor toe te rekenen en valt in de risicosfeer van de appellant zelf. Voor het uitvoering geven aan de in artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden afgesproken jaarlijkse afrekening tussen de echtelieden geldt eveneens dat dit tot de verantwoordelijkheid van de therapeut en zijn echtgenote zelf behoorde. De kennelijke onwetendheid van de appellant op dit punt kan niet aan het kantoor worden toegerekend. Ook op deze gronden ontbreekt het conditio sine qua non-verband tussen de verweten tekortkomingen van het accountantskantoor en de schade.

Daarbij komt dat uit het echtscheidingsconvenant blijkt dat de appellant en zijn voormalige echtgenote niet finaal hebben verrekend. Voor zover door de appellant is gesteld dat hij genoodzaakt was een schikking te treffen, heeft hij onvoldoende onderbouwd dat de schikking die hij heeft getroffen nadelig voor hem was.

Verwijt 3: hem onterecht niet is geadviseerd over de risico’s van het achterwege laten van een jaarlijkse afrekening gedurende het huwelijk.

Ook het derde verwijt kan niet leiden tot een ander oordeel. Zelfs indien moet worden aangenomen dat het accountantskantoor op dit punt in 2006 advies had moeten geven, had dit geen verschil gemaakt. Tot dat moment hadden de appellant en zijn echtgenote geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding, hetgeen volgens de stellingen van de appellant zelf in deze procedure tot gevolg had dat er bij echtscheiding finaal zou moeten worden afgerekend. De appellant heeft bij de notaris geen vragen gesteld omtrent de werking van het periodieke verrekenbeding. Vervolgens heeft hij met zijn echtgenote in de periode 1995-2005 geen uitvoering gegeven aan het periodieke verrekenbeding en kennelijk genoegen genomen met vermogensopstellingen. Onder deze omstandigheden kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat het accountantskantoor bij de opdrachtverstrekking zich nader op de hoogte had moeten stellen omtrent de wijze waarop de echtelieden tot dan toe waren omgegaan met het verrekenbeding en advies had moeten geven over de volgens de therapeut daaraan klevende risico’s.

De beslissing van het Hof

Het hof oordeelt dat er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de aan het accountantskantoor verweten gedragingen en de door de therapeut gevorderde schade. Het hof bekrachtigt het vonnis van 16 december 2020 waarvan beroep.

Hier kunt u de gehele uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch lezen.

Zorgplicht advocaten

Heeft u als klant, stakeholder of derde een klacht of schade geleden als gevolg van een fout van een accountant, neem dan contact met ons op voor vrijblijvend gesprek. De advocaten van Zorgplicht Advocaten hebben jarenlange ervaring met het adviseren over de zorgplicht van een accountant of boekhouder. Tevens hebben onze advocaten ervaring met het voeren van een klachtprocedure bij de Accountantskamer of het voeren van een procedure bij de civiele rechter.

Wij staan voor u klaar

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Laat ons u helpen Laat ons u bellen

Wij helpen u graag

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant