Uitspraak: Klager heeft doel dat niet samenvalt met doelstelling van tuchtrechtspraak, maar geen sprake van misbruik van tuchtrecht

Betrokkene was werkzaam als accountant-administratieconsulent op het kantoor C Accountants en Adviseurs B.V. (hierna: C) In de jaren 2015 en 2016 hebben rechercheurs van de FIOD een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd naar het vermoedelijk plegen van het strafbare feit witwassen door een cliënt van C. In dit onderzoek heeft op 14 april 2015 een doorzoeking plaatsgevonden op het verblijfsadres van de Cliënt. Hieruit bleek dat de accountantswerkzaamheden van verschillende rechtspersonen rondom de Cliënt werden uitgevoerd door C. Betrokkene was hier verantwoordelijk voor.

Verder is onder meer naar voren gekomen dat de Cliënt verschillende facturen van C met een totaalbedrag van € 101.383 nog niet had betaald. De Cliënt en betrokkene hebben afspraken gemaakt over deze openstaande facturen. Deze komen zakelijk weergegeven op het volgende neer:

  • van het openstaande bedrag ad € 101.383,29 zal door C een bedrag van € 46.383,29 worden gecrediteerd, verdeeld over diverse aan de Cliënt gelieerde Nederlandse vennootschappen;
  • vervolgens zal € 41.000 door C opnieuw worden gefactureerd aan andere aan de Cliënt gelieerde vennootschappen, terwijl een extra creditering ten bedrage van € 5.383,29 zal plaatsvinden;
  • het resterende bedrag ad € 55.000 zal verrekend worden door middel van de levering van een auto (BMW 520d) door de Cliënt aan C dan wel Y.

Deze afspraken zijn nagekomen, de verrekening vond plaats tussen oktober 2012 en september 2013.

Op 26 januari 2016 heeft een doorzoeking plaatsgevonden bij C. Onder de bij de Cliënt en C inbeslaggenomen goederen zijn diverse facturen, creditfacturen en e-mailberichten aangetroffen, die verband houden met de hiervoor weergegeven afspraken.

Handelen in strijd met het fundamenteel beginsel van integriteit

Volgens klager (het OM) heeft betrokkene in zijn rol als accountant gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit. De klacht is gebaseerd op het verwijt dat betrokkene volgens verdacht wordt van overtreding van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht: Valsheid in geschrifte. Betrokkene wordt verdacht van het opzettelijk valselijk opmaken van facturen en/of het opzettelijk gebruiken van valselijk opgemaakte facturen.

Ontvankelijkheid van klager

Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Volgens hem heeft er nog geen strafrechtelijke toetsing plaatsgevonden en is er slechts sprake van vermoedens. De zaak mag volgens betrokkene om deze reden nog niet worden voorgelegd aan de Accountantskamer. Het is niet aan de Accountantskamer om in feite een strafrechtelijk oordeel te vellen, aldus betrokkene.

Klager beaamt dat de strafrechtelijke procedure nog niet afgerond is. Maar volgens hem is dit niet relevant. Er bestaat volgens klager namelijk een groot verschil tussen strafbare gedragingen die worden getoetst volgens de normen van het Wetboek van Strafrecht en laakbare gedragingen van accountants die worden gespiegeld aan de normen van de VGBA en de voormalige VGC.

De Accountantskamer stelt dat de eventuele omstandigheid dat klager bij de onderhavige door hem aangespannen klachtprocedure (mogelijk) ook een belang heeft dat niet samenvalt met de doelstelling van de tuchtrechtspraak, niet betekent dat sprake is van misbruik van tuchtrecht. Het verweer wordt daarom verworpen.

De beoordeling van de klacht

Betrokkene stelt dat de Cliënt eind 2012 een betalingsachterstand had. “Bij het maken van de betalingsregeling, eind 2012/begin 2013, heeft de Cliënt voor het eerst te kennen gegeven, dat er uren waren die in het verleden niet op de juiste ondernemingen waren geboekt en wilde hij dit, voor een deel, gecorrigeerd hebben. Dit klopte wel, maar de Cliënt had er tot dan toe er nooit een probleem van gemaakt. Wat er naar aanleiding hiervan begin 2013 heeft plaatsgevonden is niets meer of minder dan een herverdeling van de uren, met een ‘juistere’ toerekening aan ondernemingen en activiteiten”, aldus betrokkene. Hierbij zijn volgens betrokkene altijd de procedures en gebruikelijke handelswijze gevolgd zoals die binnen C werden gehanteerd.

De Accountantskamer oordeelt dat klager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Dit geldt te meer nu, zoals betrokkene onweersproken heeft aangevoerd, de betaling en de aflossing van de schuld op een juiste wijze en transparant in de desbetreffende administratie is verwerkt. Ten slotte is door klager evenmin aannemelijk gemaakt dat betrokkene bij genoemde verrichtingen anderszins in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft gehandeld. Betrokkene heeft wel zelf verklaard dat de urenspecificaties door zijn kantoor destijds niet accuraat zijn opgesteld, maar daarover worden betrokkene geen verwijten gemaakt in de klacht die alleen is gebaseerd op een verdenking inzake het valselijk opmaken van facturen.

De klacht wordt ongegrond verklaard.

Zorgplicht Advocaten

Heeft u een geschil met uw accountant over de vraag of hij/zij de benodigde vakbekwaamheid, zorgvuldigheid en deskundigheid in acht heeft genomen bij de uitvoering van zijn/haar werkzaamheden? Heeft uw accountant uw opdrachten niet naar behoren uitgevoerd? En heeft u als gevolg daarvan schade geleden? Neem dan contact op met een van de gespecialiseerde advocaten van Zorgplicht Advocaten.

Rob Silvertand

Wij staan voor u klaar

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Neem contact op Laat ons u bellen
Jamiro van de Wiel

Wij helpen u graag

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant