Uitspraak: Totale liquiditeitspositie van notaris positief waardoor klacht omtrent liquiditeit ongegrond is

Het BFT (Bureau Financieel Toezicht) heeft een klacht ingediend tegen de notaris. Volgens het BFT verwijt de notaris dat privé sprake is van een negatieve liquiditeits- en solvabiliteitspositie. Op grond van artikel 23 Wna, in verbinding met de Administratieverordening en het Reglement Verslagstaten 2010 dient een notaris niet alleen zakelijk maar ook privé financieel weerbaar te zijn.

Het verweer

De notaris heeft erkend dat er sprake is van negatieve liquiditeits- en solvabiliteitspositie in privé. Maar volgens hem leidt dit niet tot schending van artikel 23 Wna. Want op grond van artikel 3 Reglement Verslagstaten 2010 dient volgens de notaris de totale liquiditeitspositie positief te zijn. Dit ziet dus op de privé én de zakelijke positie. Volgens de notaris blijkt uit de jaarcijfers van 2018 en 2019 dat de totale liquiditeit positief is, waardoor de klacht ongegrond verklaard dient te worden.

De beoordeling

Sinds november 2015 heeft de notaris een uitgebreid hersteltraject met het BFT doorlopen. De notaris heeft diverse ingrijpende maatregelen genomen om de negatieve financiële posities zowel privé als voor zijn kantoor te verbeteren.

Ter zitting is gebleken dat de jaarcijfers van het kantoor positief zijn. De liquiditeits- en solvabiliteitspositie van het kantoor komen respectievelijk uit op 143.706 euro en 139.008 euro. De solvabiliteitspositie in privé is 7.483 euro in de plus. De liquiditeitspositie is daarentegen negatief en bedraagt 31.518 euro. De totale liquiditeit is daardoor wel ruim positief: 107.490 euro.

Het BFT stelt zich op het standpunt dat bij een notaris tenminste sprake moet zijn van positieve financiële posities zowel voor kantoor als privé, hetgeen bij de notaris zowel in 2018 als in 2019 niet het geval is. Het BFT verwijst daarbij naar verschillende arresten. In deze arresten was er volgens de kamer telkens sprake van een andere situatie. Zo was er bijvoorbeeld bij twee arresten van het gerechtshof een negatieve liquiditeit van het kantoor. In een ander arrest was er sprake van een bewaringstekort. De kamer oordeelt dat ook dat de door het BFT aangehaalde jurisprudentie niet als referentiekader dient voor de ingediende klacht. Daar komt bij dat uit de overgelegde jaarcijfers is gebleken dat de solvabiliteit van het kantoor eind 2018 106.775 euro bedroeg en eind 2019 was verbeterd naar 143.167 euro terwijl de liquiditeit van het kantoor eind 2018 94.743 euro en eind 2019 ook was verbeterd en 139.008 euro bedroeg.

Nu de kamer op grond van de overgelegde jaarcijfers heeft geconstateerd dat de totale liquiditeitspositie positief was op het moment van het indienen van de klacht, heeft de notaris naar het oordeel van de kamer niet in strijd met artikel 3 Verslagstaten 2010 gehandeld. Op deze grond kan derhalve ook niet worden geconcludeerd dat de notaris daardoor in strijd heeft gehandeld met artikel 23 lid 1 Wna en/of artikel 2 Administratieverordening. De kamer acht de klacht ongegrond.

Lees hier de hele uitspraak.

Zorgplicht Advocaten

Heeft u een geschil met uw notaris over de vraag of hij/zij de benodigde vakbekwaamheid, zorgvuldigheid en deskundigheid in acht heeft genomen bij de uitvoering van zijn/haar werkzaamheden? Neem dan hier contact op met een van de gespecialiseerde advocaten van Zorgplicht Advocaten.

Joost Papeveld

Wij staan voor u klaar

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Neem contact op Laat ons u bellen
Monique Ebben

Wij helpen u graag

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant