Klacht tegen accountant die dagelijkse leiding had over controleteam ongegrond verklaard

Een advocaat heeft tweemaal een beroepstermijn laten verstrijken en heeft vervolgens onvoldoende nazorg jegens klager betracht. De Raad van Discipline beoordeeld de klacht van de klager.

Het procesverloop

Klager heeft in juli 2012 een personenauto gehuurd. De gehuurde auto was ten tijde van de aanrijding WAM verzekerd. Op 10 augustus 2012 werd de personenauto bestuurd door klager. Op enig moment is klager uitgestapt en heeft een gewelddadig incident, waarbij onder meer H betrokken was, plaatsgevonden. H heeft zich hierna toegang verschaft tot de personenauto en heeft vervolgens klager daarmee aangereden. Klager heeft als gevolg van de aanrijding ernstig letsel opgelopen.

Klager heeft zich op 4 juni 2013 tot advocaat gewend met het verzoek hem bij te staan inzake de (financiële) gevolgen van voornoemde aanrijding. Advocaat heeft bij brief in 2014 aan klager bericht, vanwege de diefstaluitsluiting, geen mogelijkheden te zien om met succes een procedure tegen de verzekeraar te voeren. Advocaat adviseerde daarom af te zien van een gerechtelijke procedure tegen en in plaats daarvan een beroep te doen op het WBF. Zowel de verzekeraar als het WBF hebben de aansprakelijkheid respectievelijk dekking voor de door klager geleden schade afgewezen. De advocaat heeft zich bij brieven in 2017 opnieuw tot de verzekeraar en het WBF gericht. Advocaat heeft namens klager aanspraak gemaakt op volledige vergoeding van de door hem geleden schade en heeft voorts de verjaring van de vordering tot nakoming van de schadevergoedingsplicht gestuit.

Een kantoorgenoot van advocaat heeft bij interne notitie advies aan advocaat uitgebracht. Zij adviseerde om de verzekeraar te dagvaarden en vanwege innerlijk tegenstrijdige argumenten niet gelijktijdig een procedure tegen het WBF aanhangig te maken. Advocaat heeft vervolgens bij verzoekschrift van september 2017 aan de rechtbank onder meer verzocht te beslissen dat de verzekeraar aansprakelijk is voor de schade. De rechtbank heeft bij beschikking van 10 januari 2018 het verzoek van klager afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het voorval niet onder de dekking viel van de verzekering die ingevolge de WAM was afgesloten.

Beroepstermijn

De advocaat heeft in 2018 namens klager een vordering door middel van een dagvaarding ingediend. De advocaat heeft verzuimd binnen drie maanden na de eerste roldatum hoger beroep in te stellen tegen de beschikking. De rechtbank heeft bij vonnis van 13 maart 2019 de vorderingen van klager afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de vordering niet kon worden toegewezen, omdat niet tijdig hoger beroep was ingesteld en omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen reden was om af te wijken van de bindende eindbeslissing in het deelgeschil.

Advocaat heeft klager per e-mail geïnformeerd dat hij had verzuimd de hoger beroepsdagvaarding tijdig te laten betekenen. Advocaat verzocht klager hem aansprakelijk te stellen, zodat de aansprakelijkstelling aan de verzekeraar van advocaat kon worden toegestuurd. Klager heeft advocaat op 6 augustus 2019 aansprakelijk gesteld. Advocaat heeft per email van 22 augustus 2019 bericht dat hij de aansprakelijkstelling naar de verzekeraar had doorgestuurd. Op 18 november 2019 heeft een kantoorgenoot van advocaat zich bij klager gemeld als opvolgend advocaat van klager.

De gemachtigde van klager heeft namens klager bij verzoekschrift aan de rechtbank een verklaring voor recht verzocht dat WBF gehouden is om klager schadeloos te stellen naar aanleiding van het hem op 10 augustus 2012 overkomen ongeval. De rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2021 voor recht verklaard dat de WAM van toepassing is en dat WBF gehouden is om klager naar aanleiding van het hem op 10 augustus 2012 overkomen ongeval schadeloos te stellen, met veroordeling van WBF in de kosten van het geschil.

De klacht

Klager verwijt advocaat het volgende:

1. Advocaat heeft klager niet, althans onvoldoende, geadviseerd voorafgaand aan het starten van de procedure jegens de verzekeraar;

2. Advocaat heeft onvoldoende (procedurele )actie ondernomen jegens het WBF;

3. Advocaat heeft twee maal een termijn laten verstrijken;

4. Advocaat heeft niet, althans onvoldoende duidelijk, gecommuniceerd over de dossieroverdracht;

5. Advocaat heeft verzuimd de nodige zorg in acht te nemen nadat hij had bemerkt dat hij een beroepsfout had gemaakt;

6. Advocaat heeft verzuimd een financiële tegemoetkoming te betalen nadat hij had bemerkt dat hij een beroepsfout had gemaakt.

De beoordeling

Klachtonderdeel 1

Klager verwijt de advocaat dat hij, zonder uitleg aan klager over de koerswijziging en de procedurele en financiële gevolgen daarvan, heeft besloten om een procedure tegen de verzekeraar aanhangig te maken, terwijl hij bij aan klager te kennen had gegeven hierin geen heil te zien. Op grond van het bepaalde in artikel 46 g lid 1 sub a Advocatenwet is een klacht(onderdeel) niet-ontvankelijk indien die klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.

De Raad stelt vast dat klager er in 2017 van op de hoogte was dat advocaat, zoals klager stelt zonder advies aan en overleg met klager, de aanpak van de procedure heeft gewijzigd en ondanks zijn eerdere negatieve advies alsnog een procedure jegens de verzekeraar aanhangig heeft gemaakt. Klachtonderdeel 1 is ingediend op 11 juli 2021 en derhalve meer dan drie jaren nadat klager op de hoogte was van de in klachtonderdeel a aan advocaat verweten gedragingen. Klachtonderdeel 1 is daarom ingediend buiten de in van artikel 46 g lid 1 sub a Advocatenwet bedoelde termijn en is daarom niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel 2

Advocaat heeft er in 2017, in overleg met en na advies van een kantoorgenoot, voor gekozen om eerst alleen tegen de verzekeraar een procedure aanhangig te maken. Omdat de klacht over de gedragingen van advocaat op 11 juli 2021 is ingediend is dit onderdeel van de klacht niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op gedragingen van advocaat in de periode voor 21 juli 2018. De raad zal dit onderdeel van de klacht daarom inhoudelijk beoordelen, voorover dit betrekking heeft op de aanpak van de zaak na 11 juli 2018.

Vast staat dat de rechtbank de vorderingen van klager jegens de verzekeraar bij vonnis van 13 maart 2019 heeft afgewezen en dat de termijn waarbinnen tegen dit vonnis hoger beroep kon worden ingesteld ongebruikt is verstreken. Uit de overgelegde stukken volgt dat advocaat klager op 22 juli 2022 heeft bericht dat hij had verzuimd tijdig hoger beroep in te stellen en klager verzocht hem aansprakelijk te stellen, zodat hij dit aan zijn verzekeraar kon doorgeven. Het had op dat moment op de weg van advocaat gelegen om klager te wijzen op de mogelijkheid van een procedure jegens het WBF. Dat heeft advocaat echter niet gedaan. Evenmin is gebleken dat advocaat, bij zijn vertrek van zijn toenmalig kantoor, in een notitie betreffende de overdracht van de zaak, erop heeft gewezen dat een procedure jegens het WBF aanhangig diende te worden gemaakt.

Advocaat heeft de belangen van klager na de negatieve uitspraak van de rechtbank van 13 maart 2019 onvoldoende zorgvuldig behartigd, wat hem tuchtrechtelijk valt aan te rekenen. Klachtonderdeel 2 is, voor zover dit betrekking heeft op de gedragingen van advocaat na 11 juli 2018 gegrond en voor zover betrekking op de gedragingen van advocaat voor 11 juli 2018 niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel 3

Vast staat dat de advocaat heeft verzuimd om binnen drie maanden na de eerste roldatum, te weten uiterlijk op 25 juli 2018, hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank van 10 januari 2018 en om tijdig beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank van 13 maart 2019, wat de advocaat tuchtrechtelijk valt aan te rekenen. Klachtonderdeel 3 is daarom gegrond.

Klachtonderdeel 4

De advocaat heeft in augustus 2019 zijn toenmalige kantoor verlaten. Voor zover het een advocaat, op grond van een concurrentiebeding, waarvan in deze kwestie klaarblijkelijk sprake was, niet zou vrijstaan om zijn cliënten te informeren over zijn vertrek bij zijn kantoor, mag de advocaat er weliswaar op vertrouwen dat zijn cliënt dan over de overdracht van het dossier wordt geïnformeerd door het kantoor, maar dat betekent niet dat op de betreffende advocaat geen verplichting tot nazorg rust.

Van de advocaat had gelet op de omstandigheden ten aanzien van het vertrek van zijn voormalig kantoor wel mogen worden verwacht dat hij de advocaat, door wie de zaak van klager werd overgenomen, had geïnformeerd over de stand van zaken en de (on)mogelijkheden in die zaak, waaronder de nog mogelijke aanpak van de zaak jegens het WBF. Door dit na te laten heeft advocaat jegens klager niet die zorg betracht die van hem verwacht mocht worden. Klachtonderdeel 4 is daarom gegrond.

Klachtonderdeel 5

De advocaat heeft erkend dat hij twee maal een beroepstermijn ongebruikt heeft laten verstrijken. Advocaat heeft klager hierover geïnformeerd en klager verzocht om hem aansprakelijk te stellen. Advocaat had zich echter behoren te realiseren dat klager in die aansprakelijkheidskwestie tegenover zijn professionele beroepsaansprakelijkheids-verzekeraar zou komen te staan. Het had daarom op de weg van advocaat gelegen om klager te adviseren zich in de aansprakelijkheidskwestie tegen de verzekeraar te laten bijstaan door een advocaat.

Advocaat heeft met de enkele erkenning van zijn beroepsfouten en de toezegging om een aansprakelijkstelling aan zijn verzekeraar door te sturen de belangen van klager onvoldoende behartigd. Van een behoorlijk handelend mag worden verwacht dat hij bij een erkenning van een door hem gemaakte beroepsfout, ook de voortgang van de zaak na die gemaakte beroepsfout met zijn cliënt bespreekt. Van die advocaat mag worden verwacht dat hij in overleg met en na toestemming van zijn cliënt de door de beroepsfout ontstane problemen, voor zover mogelijk oplost, dan wel dat hij zijn cliënt daarvoor naar een andere advocaat verwijst.

De Raad is op grond van het bovenstaande van oordeel dat advocaat, na de erkenning van zijn beroepsfouten, de belangen van klager onvoldoende zorgvuldig heeft behartigd, wat hem tuchtrechtelijk valt aan te rekenen. Klachtonderdeel 5 is daarom gegrond.

Klachtonderdeel 6

Een advocaat die aansprakelijk is gesteld voor door zijn cliënt geleden schade is niet gehouden om aan zijn cliënt een financiële tegemoetkoming te betalen. Het staat die advocaat vrij om de kwestie van de aansprakelijkheid en een eventuele schadevergoeding aan zijn verzekeraar over te laten. Ter zake valt advocaat tuchtrechtelijk geen verwijt te maken. Klachtonderdeel 6 is daarom ongegrond.

De beslissing

De Raad van Discipline verklaart klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk, verklaart klachtonderdeel 2 voor zover betrekking op gedragingen van advocaat voor 11 juli 2018 niet-ontvankelijk en voor het overige gegrond, verklaart de klachtonderdelen 3 tot en met 5 gegrond en verklaart klachtonderdeel 6 ongegrond. Gelet op de ernst van de tuchtrechtelijk aan advocaat toe te rekenen gedragingen de maatregel berisping passend en geboden.

Hier kunt u de gehele uitspraak van de Raad van Discipline lezen.

Zorgplicht advocaten

Heeft u als klant, stakeholder of derde een klacht of schade geleden als gevolg van een fout van een accountant, neem dan contact met ons op voor vrijblijvend gesprek. De advocaten van Zorgplicht Advocaten hebben jarenlange ervaring met het adviseren over de zorgplicht van een accountant of boekhouder. Tevens hebben onze advocaten ervaring met het voeren van een klachtprocedure bij de Accountantskamer of het voeren van een procedure bij de civiele rechter.

Wij staan voor u klaar

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Laat ons u helpen Laat ons u bellen

Wij helpen u graag

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant