Uitspraak: Voormalig wielrenner vangt bot bij Accountantskamer

Betrokkene is accountant. Klager is voormalig professioneel wielrenner. In 2014 is hij voor een Amerikaans team gaan rijden. Medio 2015 heeft klager met betrokkene de fiscaliteit van de betalingen door zijn team besproken. Uit deze werkzaamheden vloeit de klacht bij de Accountantskamer voort.

De klacht

Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klager verwijt betrokkene het volgende:

  • betrokkene heeft aftrekbare kosten voor de belasting beperkt tot één jaar, terwijl kosten tot vijf jaar terug kunnen worden opgevoerd;
  • betrokkene heeft geen toepassing gegeven aan de vrijstellingsregeling voor buitenlanddagen;
  • betrokkene heeft een VAR-verklaring winst uit onderneming aangevraagd, terwijl dat gelet op het ontvangen van brutoloon uit het buitenland – niet relevant is voor klager;
  • betrokkene heeft, zonder overleg met klager, contact opgenomen met de Belastingdienst en daarbij een onjuiste voorstelling van zaken gegeven;
  • betrokkene heeft over 2014 winst uit onderneming aangegeven, terwijl klager in loondienst was van de opleidingsploeg van de A. Klager heeft vervolgens een belastingkorting moeten terugbetalen, verhoogd met een boete;
  • betrokkene heeft klager niet geïnformeerd over de hypotheekrenteaftrek;
  • betrokkene heeft tijdens een gesprek met klager zijn fouten toegegeven, maar is daarop teruggekomen.

De beoordeling

Klachtonderdeel 1 Volgens klager heeft betrokkene niet alle kosten opgevoerd die voor aftrek in aanmerking kwamen, omdat betrokkene de opgave tot maximaal één jaar terug heeft beperkt. In een door betrokkene overgelegde mail heeft klager alle kosten opgesomd over de periode november 2013 tot en met 2015. Betrokkene stelt dat hij die kosten heeft verwerkt ten behoeve van de ingediende aangiften inkomstenbelasting over 2014 en 2015. Klager heeft dit verweer niet weerlegd. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 2 Partijen spreken in de stukken over buitenlanddagen en een vrijstellingsregeling. Bedoeld is kennelijk de zogeheten 183-dagenregeling. De Accountantskamer is met betrokkene van oordeel dat deze regeling alleen relevant is indien het inkomen van klager als loon is aangegeven. Ook het tweede klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3 Betrokkene heeft naar het oordeel van de Accountantskamer klager op goede gronden voorgesteld de VAR-verklaring aan te vragen. Die aanvraag was, anders dan klager stelt, relevant. Daardoor kon, vooruitlopend op de aangifte(n) inkomstenbelasting, een standpunt van de Belastingdienst worden verkregen met betrekking tot de stelling van klager dat hij winst uit onderneming genoot. Klager heeft hiermee ingestemd. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 4 Betrokkene heeft de aanvraag VAR-verklaring nader toegelicht in zijn brief aan de Belastingdienst van 22 oktober 2015. Het is echter niet gebleken dat betrokkene in zijn contacten met de Belastingdienst een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Tijdens de zitting kon klager geen antwoord geven op de vraag waaruit die onjuiste voorstelling van zaken zou hebben bestaan. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 5 Uit de door betrokkene overgelegde stukken blijkt, dat klager op 27 oktober 2016 met de aangiften inkomstenbelasting 2014 en 2015 uitdrukkelijk akkoord is gegaan. Daarna is klager de keuze gegeven: aangiften conform het standpunt van de Belastingdienst (loon) of als ondernemer (winst). Klager is voorgerekend wat het verschil is in belastingdruk over de jaren 2015 en 2016. Winst uit onderneming is voordeliger. Klager heeft uiteindelijk gekozen voor winst uit onderneming. Het vijfde klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 6 Klager stelt dat hij betrokkene nooit heeft gehoord over hypotheekrenteaftrek terwijl betrokkene van zijn hypotheek afwist. Vaststaat dat hypotheekrenteaftrek pas aan de orde is gekomen bij de aangifte inkomstenbelasting over 2016 en dat betrokkene die aangifte niet heeft verzorgd, omdat de zakelijke relatie tussen klager en betrokkene inmiddels was geëindigd. In eerdere jaren was de hypotheekrenteaftrek niet relevant. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 7 Klager heeft zijn klachten over de wijze waarop betrokkene zijn diensten heeft geleverd bij betrokkene kenbaar gemaakt. In april 2019 heeft klager daarover een gesprek met betrokkene gevoerd. In dat gesprek, zo stelt klager, heeft betrokkene zijn fouten toegegeven maar is daarop teruggekomen. Betrokkene heeft ter zitting ontkend dat hij tijdens een gesprek met klager fouten heeft toegegeven. De Accountantskamer heeft klager gevraagd om een voorbeeld van een fout aan te dragen die betrokkene heeft toegegeven aan klager, maar klager heeft die vraag niet met enige nauwkeurigheid kunnen beantwoorden. Bij gebrek aan onderbouwing is ook dit klachtonderdeel ongegrond.

De beslissing

De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond.

Lees hier de hele uitspraak.

Zorgplicht Advocaten

Heeft u als klant, stakeholder of derde een klacht of schade geleden als gevolg van een fout van een accountant, neem dan contact met ons op voor vrijblijvend gesprek. De advocaten van Zorgplicht Advocaten hebben jarenlange ervaring met het adviseren over de zorgplicht van een accountant of boekhouder. Tevens hebben onze advocaten ervaring met het voeren van een klachtprocedure bij de Accountantskamer of het voeren van een procedure bij de civiele rechter.

Jamiro van de Wiel

Wij staan voor u klaar

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Neem contact op Laat ons u bellen
Joost Papeveld

Wij helpen u graag

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant