Appellant is sinds 1990 ingeschreven als accountant in het accountantsregister. Hij heeft sinds 2003 accountantswerkzaamheden verricht voor X en met hem verbonden vennootschappen, waaronder een CV en een BV. Appellant heeft op meerdere momenten in 2012 en 2013 op basis van ene overeenkomst geld uitgeleend aan X, tot een totaalbedrag van € 85.000.

In mei 2013 ging de CV failliet. Aan appellant was de CV op die datum een bedrag van € 461.366,69 voor geleverde diensten en een bedrag van € 345.000,00 uit hoofde van verstrekte geldleningen verschuldigd. De curator heeft aangifte gedaan tegen X vanwege een vermoeden van faillissementsfraude.

Uitspraak van de Accountantskamer

Klager heeft zijn klacht in de uitspraak van de Accountantskamer gebaseerd op de volgende verwijten:

  • Appellant heeft door geldleningen te verstrekken aan Y B.V. de fundamentele beginselen van professioneel gedrag en van objectiviteit geschonden;
  • Appellant heeft onvoldoende professioneel gedrag en zorgvuldigheid betracht bij het opmaken van vier salarisstroken en het verlonen van beweerd overwerk;
  • Appellant heeft zijn cliënt geadviseerd over potentieel frauduleuze handelingen en/of vermoedelijke faillissementsfraude.

Het eerste klachtonderdeel is gegrond verklaard. De Accountantskamer oordeelt dat het aangaan van een lening aan een cliënt moet worden aangemerkt als een bedreiging van niet te verwaarlozen betekenis voor de naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit. Deze objectiviteit heeft appellant onvoldoende gewaarborgd.

Het tweede klachtonderdeel wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de verjaringstermijn.

Ten aanzien van het derde klachtonderdeel overweegt de Accountantskamer dat de accountant bij zijn advisering de voor hem geldende fundamentele beginselen in acht dient te nemen. Volgens de accountantskamer is het voldoende aannemelijk dat appellant zich ongepast heeft laten beïnvloeden door de wens van zijn cliënt om met een (gefingeerde) tegenvordering de rekening-courantschuld van zijn cliënt aan de CV te verminderen. Ook het derde klachtonderdeel is ongegrond.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Appellant stelt dat de Accountantskamer het eerste klachtonderdeel niet-ontvankelijk had moeten verklaren vanwege verjaring. Verder betoogt hij dat de Accountantskamer buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te overwegen dat niet enkel geklaagd wordt over het aangaan van overeenkomsten van geldlening, maar ook over het niet treffen van waarborgen ter voorkoming van aantasting van de door appellant in acht te nemen objectiviteit.

Het College is van oordeel dat niet is gebleken dat de accountantskamer buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Ook staat volgens het College vast dat de verjaringstermijn niet is overschreden.

Appellant voert verder aan dat hij in het kader van de leningen weldegelijk voldoende waarborgen heeft getroffen ter voorkoming van aantasting van de door hem in acht te nemen objectiviteit. De geldlening is schriftelijk vastgelegd en geregistreerd. Daarnaast is als zekerheid voor het geleende geldbedrag een pandrecht gevestigd en is rente verschuldigd. Appellant heeft er bewust voor gekozen niet als adviseur op te treden of aan overleg of onderhandelingen deel te nemen ten aanzien van het faillissement van de CV.

Volgens het College is niet gebleken dat appellant zich bewust was van de bedreiging voor zijn objectiviteit. Het schriftelijk vastleggen van de lening, het bedingen van rente en pandrecht alsook het afsluiten van een levensverzekering op het leven van X dienen met name ter verzekering van het terugbetalen van de lening en zijn daarmee gericht op de bescherming van het financiële belang van appellant. Van maatregelen ter voorkoming van aantasting van de door appellant in acht te nemen objectiviteit kan hierbij dan ook niet worden gesproken.

De voorlaatste grief is gericht tegen de gegrondverklaring van het derde klachtonderdeel. Volgens appellant heeft de accountantskamer ten onrechte voldoende aannemelijk geacht dat de handgeschreven notities die zijn aangetroffen bij de huiszoeking in de woning van appellant niet slechts een weergave vormen van mededelingen die door X aan hem zijn gedaan, maar dat deze notities wel degelijk ook adviezen van appellant bevatten. Ook deze grief slaagt niet. Het College oordeelt net als de Accountantskamer dat het voldoende aannemelijk is dat appellant zich ongepast heeft laten beïnvloeden door de wens van zijn cliënt om met een tegenvordering de rekening-courantschuld van zijn cliënt aan de CV te verminderen.

De laatste grief is gericht tegen de opgelegde maatregel. Appellant vindt de maatregel van tijdelijke doorhaling te zwaar. Het College acht de maatregel van tijdelijke doorhaling, gelet op de aard en ernst van de geconstateerde overtredingen, passend en geboden.

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Lees hier de hele uitspraak.

Zorgplicht Advocaten

Heeft u als klant, stakeholder of derde een klacht of schade geleden als gevolg van een fout van een accountant, neem dan contact met ons op voor vrijblijvend gesprek. De advocaten van Zorgplicht Advocaten hebben jarenlange ervaring met het adviseren over de zorgplicht van een accountant of boekhouder. Tevens hebben onze advocaten ervaring met het voeren van een klachtprocedure bij de Accountantskamer of het voeren van een procedure bij de civiele rechter.

Wij staan voor u klaar

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Laat ons u helpen Laat ons u bellen

Wij helpen u graag

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant