Uitspraak: Accountant geeft onvoldoende gevolg aan eerdere beslissing en krijgt maatregel van doorhaling opgelegd

Klaagster houdt zich bezig met de ontwikkeling van onroerend goed projecten. De broers B en D zijn de bestuurders van klaagster. In 1999 is klaagster een samenwerkingsverband aangegaan met BV 1, samen gingen zij een nieuw bouwproject ontwikkelen (F), hiervoor richten zij BV2 op. Betrokkene is verantwoordelijk voor de samenstelopdrachten van BV1 en BV2.

Tussen klaagster en BV1/BV2 zijn geschillen ontstaan over de uitvoering van het samenwerkingsverband. Bij brief van 14 januari 2014 heeft BV2 klaagster meegedeeld dat zij gezien de opstelling van klaagster alsnog additionele planvoorbereidingskosten ten bedrage van € 2.340.260 in de financiële rapportage van de samenwerking laat verwerken.

Klaagster heeft in 2015 en 2016 al een klacht ingediend tegen betrokkene, beide keren is de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. In de tweede zaak is de maatregel van berisping opgelegd.

Handelen in strijd met de geldende gedrags- en beroepsregels

Ter zitting heeft klaagster ermee ingestemd dat de Accountantskamer alleen een oordeel zal geven over een vijftal verwijten. Het gaat hier om de verwijten dat betrokkene:

  • geen toereikende toelichting heeft gegeven op de vermeende additionele planvoorbereidingskosten;
  • geen rekening heeft gehouden met de aan BV2 toegekende en reeds uitbetaalde subsidies;
  • ten onrechte en zonder toelichting betaalde rente aan BV3 heeft opgenomen;
  • geen toelichting en opstelling heeft opgenomen over de gerealiseerde rentebaten;
  • geen toelichting heeft gegeven bij de herrubricering van de ontwikkelingskosten in 2016.

Ontvankelijkheid van de klacht

Betrokkene voert verweer dat de klacht niet-ontvankelijk is, omdat klaagster voor de tweede maal over dezelfde gedraging klaagt, wat in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. De Accountantskamer is het hier niet mee eens, de klacht is volgens de Accountantskamer namelijk niet gelijk aan de eerdere klacht van klaagster. De huidige klacht heeft namelijk betrekking op de op 9 februari 2018 en 21 december 2018 verstrekte overzichten. Deze kunnen niet in een eerdere tuchtprocedure aan de orde zijn geweest. De klacht is dus ontvankelijk.

Het oordeel

Het eerste klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard. Betrokkene heeft in de overzichten vermeld dat geen rekening is gehouden met de brief van 14 januari en de mogelijke financiële gevolgen ervan heeft uitgedrukt in bedragen. Daarmee heeft betrokkene volgens de Accountantskamer voldoende toelichting gegeven op de additionele voorbereidingskosten.

Ook het tweede klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard. Betrokkene heeft in de overzichten 2016 en 2017 toegelicht dat het voorschot van de subsidie niet is opgenomen in de berekening omdat het een voorwaardelijke toekenning betreft.

Het derde klachtonderdeel treft ook geen doel. Klaagster heeft het verweer van betrokkene, dat aan de betaalde rente een leningsovereenkomst ten grondslag ligt, niet bestreden. Hierdoor heeft betrokkene de betaalde rente volgens de Accountantskamer terecht in de overzichten meegenomen.

Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel overweegt de Accountantskamer dat betrokkene in de eerdere beslissing van de Accountantskamer al was gewezen dat hij het niet opnemen van de rentebaten in de overzichten niet had toegelicht. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene onvoldoende uitvoering gegeven aan deze beslissing, omdat hij in de overzichten over 2016 en 2017 nog steeds niet heeft toegelicht dat daarin geen rentebaten zijn verwerkt. . Dat volgens betrokkene het bedrag van de rentebaten niet bekend zou zijn, maakt dat niet anders. Betrokkene had dan nog steeds moeten vermelden dat er geen rentebaten in het overzicht waren opgenomen. Het vierde klachtonderdeel wordt dan ook gegrond verklaard.

Ook het vijfde klachtonderdeel wordt gegrond verklaard. Omdat betrokkene wist dat er een langlopend geschil bestond tussen klaagster en BV2]/[BV1 over de cijfers van BV2, lag het volgens de Accountantskamer op de weg van betrokkene om de herrubricering toe te lichten, wat hij niet heeft gedaan. Betrokkene heeft ook hierdoor in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid gehandeld.

Omdat een gedeelte van de klachtonderdelen gegrond wordt verklaard, wordt aan betrokkene de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van twee weken opgelegd. De Accountantskamer heeft daarbij in aanmerking genomen dat betrokkene onvoldoende gevolg heeft gegeven aan haar eerdere beslissing.

Lees hier de hele uitspraak.

Zorgplicht Advocaten

Heeft u een geschil met uw accountant over de vraag of hij/zij de benodigde vakbekwaamheid, zorgvuldigheid en deskundigheid in acht heeft genomen bij de uitvoering van zijn/haar werkzaamheden? Heeft uw accountant uw opdrachten niet naar behoren uitgevoerd? En heeft u als gevolg daarvan schade geleden? Neem dan contact op met een van de gespecialiseerde advocaten van Zorgplicht Advocaten.

Joost Papeveld

Wij staan voor u klaar

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Neem contact op Laat ons u bellen
Jamiro van de Wiel

Wij helpen u graag

  • Tegen (financiële) dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant